"De beste Belgische Boeken en Auteurs"


"Biografie en Bibliografie"


"Boeken, romans en magazines :: online bestellen en kopen"

 

"Vlaams : Biography and Books"




vlaams belong





 

Pagus Flandrensis

De naam Vlaanderen duikt voor het eerst op in de 9e eeuw wanneer in 862 de uit Laon afkomstige Boudewijn I (bijnaam Boudewijn met de ijzeren arm) de eerste gouwgraaf wordt. Het duidde toen het gebied aan rond de stad Brugge tussen IJzer en Zwin, de Pagus Flandrensis of Vlaamse gouw, en ontwikkelde zich in de volgende eeuwen tot het belangrijke Graafschap Vlaanderen.

De eerste expansie bereikte Boudewijn I door een huwelijk met Judith, de dochter van de West-Frankische koning Karel de Kale, waardoor hij ook zeggenschap kreeg over de pagi Gandensis (Gent), Wasiae (Waas), Tarvannensis (Terwaan), en Rodanensis (Rodenburg, nu Aardenburg). Zijn zoon Boudewijn II de Kale vergrootte het bezit door grondverwerving maar ook door moord op tegenstanders, zoals de aartsbisschop van Reims en Herman van Vermandois. Kortrijk, Artezië, Bonen en Doornik werden door hem aan het graafschap toegevoegd. Onder Arnulf II (962) verloor het graafschap aan macht, maar diens zoon Boudewijn IV maakte het verval ongedaan en ontwikkelde wolproductie op de kustschorren, een opmaat voor de latere bloei van de belangrijkste steden Brugge, Gent, Rijsel, Kortrijk en Ieper met voornamelijk handel in wol en laken.

Inmiddels was door huwelijken een stevige band ontstaan met het Franse hof en in 1051 ontstond een (tijdelijke) personele unie met het graafschap Henegouwen door de verbintenis van Boudewijn VI met gravin Richildis van Bergen. Ook de opvolgende graven hadden nauwe banden met Frankrijk, hetgeen zich ook uitte door deelname aan diverse kruistochten.

In 1119 werd Karel de Goede graaf van Vlaanderen, een Deense prins die acht jaar later kinderloos werd vermoord na een conflict met een adellijke familie in Brugge. De opvolgingsstrijd werd met steun van de Vlaamse steden beslecht in het voordeel van Diederik van de Elzas, die in ruil de steden invloed verleende op het feodale bestuur. Zijn zoon Filips bouwde de macht verder uit door verbindingen met het Franse hof, huwde zelf een Portugese prinses maar stierf kinderloos, waardoor het graafschap vererfde aan Boudewijn van Henegouwen. Na deze tweede personele unie ontstond onder Boudewijn IX een verwijdering van Frankrijk, dat aanspraak maakte op Vlaams bezit. De graaf werd in 1205 na een kruistocht vermist en zijn 6-jarige dochter Johanna kon de daaropvolgende vermindering van macht niet keren. Twee jaar later werd zij met haar zuster Margaretha overgebracht naar het Franse hof. Vlaanderen en Henegouwen waren daardoor feitelijk onderworpen aan de Franse koninklijke familie Capet. In 1212 werd dit bekrachtigd door het verdrag van Pont-à-Vendin, waarmee Vlaanderen formeel werd overgedragen aan Frankrijk. De echtgenoot van Johanna, de Portugese prins Ferrand, verzette zich tegen het verdrag en kreeg daarbij steun van Engeland en Duitsland. Dit leidde tot een Franse inval in 1213, waarbij onder meer de stad Damme werd geplunderd. Een jaar later versloegen de Fransen de te hulp gesnelde Duitse keizer Otto IV. Ferrand werd gevangengenomen en Vlaanderen werd een vazal van de Franse koning Filips August.

Pas in 1297 keerde graaf Gwijde van Dampierre zich tegen de Franse invloed in Vlaanderen en sloot een militair verbond met Engeland. In 1300 was het Franse geduld op en Filips de Schone liet Vlaanderen bezetten en annexeren met hulp van Fransgezinde stadsbesturen (leliaards). Graaf Gwijde werd gevangengezet, maar kon rekenen op steun van de klauwaards: adel, ambachtslieden en boeren. Openlijk verzet vond plaats tijdens de Brugse metten op 18 mei 1302, een bloedige overval van Bruggelingen op Franse troepen die een dag eerder de onrustige stad hadden ingenomen. Het bleek de opmaat voor een bevrijdingsoffensief richting Kortrijk en op 11 juli werden de Fransen bij die stad door 10.000 Klauwaerts onder leiding van de Zeeuw Jan III van Renesse verslagen in de Guldensporenslag. Vrijwel alle 2000 Franse ridders lieten in die slag het leven en 500 gouden sporen van het slagveld werden opgehangen in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Kortrijk. De Franse annexatie werd ongedaan gemaakt en Gwijde keerde terug naar Gent. De overwinning bleek een forse stimulans voor de opkomst van het proletariaat en een begin van democratisering van de stadsbesturen. Maar bovenal fungeerde de Guldensporenslag als bakermat van het Vlaamse zelfbewustzijn. Een indirect gevolg van dit groeiende zelfrespect was een opstand in de Vlaamse kuststreek in 1323 tegen buitensporige grafelijke belastingen. De Kerels van Vlaanderen onder bevel van Nicolaas Zannekin veroverden zelfs Nieuwpoort, Veurne, Kortrijk en Ieper. Pas 5 jaar later slaagde graaf Lodewijk van Nevers er met Franse steun in de opstand na de Slag bij Kassel bloedig te onderdrukken.

Door de steun van Lodewijk van Nevers aan Frankrijk in de Honderdjarige Oorlog tegen Engeland, raakte Vlaanderen in een economische crisis nadat de Britten in 1336 de aanvoer van wol en levensmiddelen staakten. Het leidde tot het stilvallen van de wol- en lakenindustrie en een daaropvolgende verpaupering. In Gent brak als reactie in december 1337 een opstand uit tegen de Fransgezinde graaf. Onder leiding van Jacob van Artevelde werd in Gent een revolutionair bewind gevestigd dat zich in de Frans-Engelse strijd neutraal verklaarde. De graaf vluchtte naar Frankrijk en de Vlaamse steden sloten een verbond met Engeland. De Engelse wolstapel keerde weliswaar terug, maar tegelijkertijd nam de invloed van Londen op het Vlaamse bestuur fors toe. Dat niet alle Vlamingen hier gerust op waren bleek bij de moord door Gentenaren op Jacob van Artevelde bij diens terugkeer van een gesprek met de Engelse vorst Edward III. De lynchpartij werd gevoed door geruchten over een mogelijke overdracht van het graafschap aan de Prins van Wales.

In 1369 raakte Vlaanderen weer in het Franse kamp door het huwelijk van de grafelijke dochter Margaretha met de Bourgondische hertog Filips de Stoute. Deze kwam in 1382 zijn schoonvader Lodewijk van Male te hulp bij het neerslaan van een sociale opstand in Gent, ditmaal geleid door Filips van Artevelde in het voetspoor van zijn vader. Bij Westrozebeke werd het Gentse verzet vernietigd en Van Arteveldes lijk werd op een rad tentoongesteld. Twee jaar later was Filips de Stoute zelf graaf van Vlaanderen en begon de Bourgondische periode.


Vlaanderen en Brabant
Het Hertogdom Brabant lag ten oosten van het Graafschap Vlaanderen. Het deelde met zijn Vlaamse buur eenzelfde taal en cultuur. Terwijl Vlaanderen een Frans leen was (hoewel de mark Ename van Vlaanderen met o.a. Aalst een deel van het Duitse Rijk was), erkende Brabant de Duitse keizer als leenheer. Politiek en economisch waren Vlaanderen en Brabant geduchte rivalen. Met steden als Brussel, Leuven, Mechelen, Antwerpen en 's-Hertogenbosch was Brabant een erg welvarende regio. In 1106 kreeg Godfried van Leuven (Godfried met den baard) na het verwerven van Antwerpen de hertogelijke waardigheid over Neder-Lotharingen en werd tegelijk markgraaf van Antwerpen en landgraaf van Brabant, een leen van de Duitse keizer Hendrik V. De machtsuitbreiding ging niet zonder slag of stoot, want in 1139 braken de Grimbergse oorlogen uit, een strijd tussen Brabant en de Heren van Grimbergen en Berthout die zich uitstrekte over twintig jaar. Pas na 1183 (inmiddels had ook de verwerving van het graafschap Aarschot plaatsgehad) werd Brabant zelf een hertogdom onder Hendrik I van Brabant. In 1190 eindigde de verbinding met Neder-Lotharingen na het opheffen van dat hertogdom door de Duitse Rijksdag. Verdere expansie vond plaats richting oosten. In 1204 werd een deel van Maastricht ingenomen en in 1288 versloeg Jan I van Brabant bij Woeringen de aartsbisschop van Keulen en verkreeg het hertogdom Limburg. Aan het einde van de 14e eeuw (1384) kwam ook Brabant in handen van Bourgondische erfgenamen. Zo raakten De Lage Landen in de 15e eeuw verenigd in de Bourgondische Nederlanden, of de zogenaamde Zeventien Provinciën. Op het hoogtepunt van hun macht heersten de Bourgondische hertogen over een gebied dat zich uitstrekte over Noordoost-Frankrijk, Luxemburg en het huidige België en Nederland. Toen in 1477 Karel de Stoute de laatste hertog van Bourgondië sneuvelde nam de Franse koning Lodewijk XI Bourgondië zelf in bezit. De Nederlanden werden voortaan geregeerd door Maximiliaan I van Oostenrijk van Habsburg. In 1556 kwamen de Zeventien Provinciën onder Spaans bewind, via de zoon van Keizer Karel V, Filips II. Het harde bestuur, de zware belastingen en de vervolging van de protestanten leidden tot een gewapende opstand. In 1581 scheidden de noordelijke provincies (inclusief Vlaanderen en belangrijke delen van Brabant) zich af en vormden in 1648 een aparte republiek: het latere Nederland, maar Vlaanderen en Brabant worden heroverd door Alexander Farnese, hertog van Parma en Spaanse landvoogd van de Nederlanden. De westelijke provincies kwamen in 1659 opnieuw onder Frans bewind. In 1714 komen de rest van de Zuidelijke Nederlanden onder Oostenrijks bestuur, na het uitsterven van de Spaanse tak van de Habsburgers en het aantreden van de Bourbons. Frankrijk valt de Zuidelijke Nederlanden binnen in 1792, maar wordt later door Oostenrijk weer verdreven. In 1794 behaalt Frankrijk een overwinning bij Fleurus en bezet de Zuidelijke Nederlanden, deze keer voor langere tijd, tot 1814. Hier eindigt de geschiedenis van het graafschap Vlaanderen definitief. Het wordt omgevormd tot twee Franse departementen, departement van de Leie en departement van de Schelde, die zullen blijven bestaan als de provincies Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen.
Nederlandse periode
In 1814, na de nederlaag van Napoleon te Waterloo worden de Zuidelijke Nederlanden (het latere België) herenigd met de Noordelijke provincies van de Lage Landen. Ze komen onder het bestuur van de protestantse Willem I die in het katholieke zuiden vanuit de Ultramontanen en de Franstalige bourgeoisie tegenwind krijgt.
Belgische periode
In de loop van 1830 wordt Willem I door een straatrevolutie onder invloed van Franse agitatie verdreven, en het Vlaanderen komt onder Belgisch bewind. Alhoewel de meerderheid van de inwoners van het nieuwe koninkrijk Nederlandstalig is, wordt het Frans de enige en officiële taal. 60% van de onderdanen kunnen dus niet in hun eigen taal bij de rechtbank of op het stadhuis terecht, maar moeten het Frans gebruiken om gehoor te krijgen. Dit leidt tot symbolische excessen, zoals de executies van Coucke en Goethals.

Alle scholen en universiteiten moesten van het Latijn en Nederlands naar het Frans overschakelen met de paradox dat Nederlandstalige leraars in het Frans onderwezen aan Nederlandstalige studenten. Leerlingen werden gestraft wanneer ze hun moedertaal spraken. Brussel dat in Nederlandstalig gebied lag werd overspoeld door Franstalige migranten uit Wallonië. Toch brak de culturele en politieke eigenheid van duizend jaar Vlaamse cultuur stilaan door. Vanaf 1876 werd opnieuw in het Nederlands les gegeven, maar dan gemengd Frans-Nederlands. Volledig Nederlandstalig onderwijs kwam er pas in 1930, toen de Universiteit Gent vernederlandst werd, en in 1932 voor het secundair onderwijs.
Vlaamse strijd voor gelijke rechten
Tegen deze verregaande achterstelling ontstond meer en meer reactie. De Vlaamse Beweging ijverde voor sociale en politieke gelijkberechtiging van de Vlamingen, een begrip dat niet meer op de inwoners van het graafschap Vlaanderen sloeg, maar op de Nederlandstalige Belgen. Geleidelijk aan bereikte ze meer en meer resultaten. Zo werd het Nederlands terug ingevoerd als onderwijstaal en in de administratie in Vlaanderen. In 1938 wordt Nederlands ook een voertaal binnen het leger. In de periode 1962/63 is er de definitieve vaststelling van de taalgrens tussen noord en zuid.

In 1968 verlaten Franstalige studenten en hoogleraren de oude universiteitsstad Leuven, om maar 25 km ten zuiden (in Waals, dus Franstalig gebied) een nieuwe universiteit te bouwen: Louvain-la-Neuve. In hetzelfde jaar wordt ook de Universiteit van Brussel opgedeeld in twee eenheden: de Vrije Universiteit Brussel en de Université Libre de Bruxelles. Er komt een wijziging van de grondwet in 1970 welke België in vier taalgebieden deelt (Nederlands in Vlaanderen, Frans in Wallonië, het tweetalige Brussel en de Duitstalige Oostkantons), en drie cultuurgemeenschappen: een Nederlandse, een Franse en een Duitse met in 1973 de uitbreiding van de taalwetten van 1962 (ook binnen bedrijven en werkplaatsen moet de taal worden gebruikt van het gebied waarin men zich bevindt).
Vlaanderen wordt een deelstaat
Op 7 december 1971 wordt de Nederlandse Cultuurraad geïnstalleerd. Die was bevoegd voor alles wat met taal en cultuur te maken heeft. Het was geen volwaardig parlement: de leden zaten ook al in de Kamer of de Senaat. 1980: Oprichting van de Taalunie tussen België en Nederland. De regering-Martens gaat nog een stapje verder, ze deelt de centrale staat België op in gewesten en gemeenschappen waardoor de unitaire staat België verdwijnt. Het zijn telkens autonome delen met een soms verregaande vorm van zelfbestuur. De gewesten nemen economische bevoegdheden voor hun rekening, terwijl de gemeenschappen over taal en cultuur beslissen. De Vlaamse Cultuurraad wordt vervangen door de Vlaamse Gemeenschapsraad. Deze verkrijgt de bevoegdheden van een volwaardig parlement. In 1993 is er opnieuw een wijziging van de grondwet (het Sint-Michielsakkoord onder Jean-Luc Dehaene). België is nu een federale staat, samengesteld uit de gemeenschappen en gewesten. Typerend voor de mentaliteitswijziging is ook de naamsverandering in 1996 van de BRTN (Belgische Radio en Televisie - Nederlands) verandert haar naam in VRT (Vlaamse Radio en Televisie), en schrapt dus de naam 'België' uit haar naam.

 


= Meer Made in Belgium =


Muziek :: Boeken :: Kunst :: Films :: Producten